Auteur(s)
Van Cappel Gide
De Greve Cian
Goetvinck Karla
Bron

BRIO-fiche, november 2024

Organisatie
Jaar
2024
Taal
NL
Klas

Quid Faciliteitenonderwijs? 

De organisatie van het faciliteitenonderwijs in de Vlaamse Rand is al een lange tijd onderdeel van een politieke discussie. Vlamingen en Franstaligen zijn het op heden namelijk nog steeds niet eens over het al dan niet blijvende karakter van dergelijke taalfaciliteiten (Van Damme, 2015, 426Deneckere et al, 2020, 256Goedertier & Vande Lanotte, 2010, 604-606). Alvorens dieper in te gaan op de inrichting van het faciliteitenonderwijs in de Vlaamse Rand, is het nuttig om de relevante wetsartikelen ter zake te bespreken. Vooreerst stelt artikel 129, §1, 2°, van de Belgische Grondwet dat de verschillende Gemeenschappen zelf mogen bepalen in welke taal hun onderwijs zal worden georganiseerd als het gaat om homogene gemeenten binnen hun taalgebied.[1] Een duidelijkere bewoording valt te lezen in artikel 4 van de Wet van 30 juli 1963 houdende de taalregeling in het onderwijs: “De onderwijstaal is het Nederlands in het Nederlandse taalgebied, het Frans in het Franse taalgebied en het Duits in het Duitse taalgebied.”[2] Dergelijk beginsel kan ook worden omschreven als een ‘territorialiteitsbeginsel’. Het territorialiteitsbeginsel is niet alleen wettelijk verankerd, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) verklaarde in haar Arrest van 23 juli 1968 dat dergelijk beginsel niet discriminatoir en niet willekeurig is.[3] Het territorialiteitsbeginsel zorgde echter ook voor enige discrepanties in de aangrenzende gebieden,  daar in verschillende van de aanpalende gemeenten bij de taalgrens, er een grote gemeenschap binnen die gemeente de andere landstaal als eerste taal hanteerde. Bij het vastleggen van de taalgrenzen in 1963 heeft de wetgever ook rekening gehouden dat onder bepaalde omstandigheden temperingen kunnen worden aangebracht aan die strikte eentaligheid. In dergelijke gemeenten kan of moet de overheid de anderstalige minderheid onder bepaalde omstandigheden aanspreken in hun desbetreffende taal (Van Damme, 2015, 426). De gemeenten die zulk statuut hebben, heten faciliteitengemeenten.

Meer specifiek voor de Vlaamse Rand gaat het om: Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem. Deze faciliteiten betekenen inzake onderwijs dat de mogelijkheid bestaat dat het “kleuter en lager onderwijs aan de kinderen verstrekt wordt in een andere landstaal, indien deze taal de moedertaal of gebruikelijke taal is van het kind en indien het gezinshoofd in een dezer gemeente verblijft. Dit onderwijs mag slechts worden ingericht op verzoek van een aantal gezinshoofden gelijk aan het aantal bepaald bij toepassing van artikel 4 van de wet van 29 mei 1959.”[4] In de praktijk betekent dit dat indien 16 ouders de expliciete vraag richten aan hun gemeente voor de inrichting van Franstalig onderwijs, de faciliteitengemeenten in de Vlaamse Rand verplicht zijn om onderwijs in te richten in het Frans. Hierbij dienen de leerlingen die les wensen te volgen in het Franstalig basisonderwijs te voldoen aan twee materiële criteria, zo moeten de leerlingen het Frans als moedertaal hebben, en dienen ze woonachtig te zijn in een van de faciliteitengemeenten. Dat impliceert dus dat leerlingen, en hun ouders, hun domicilie moeten hebben staan in een van de faciliteitengemeenten, alvorens ze kunnen gebruikmaken van de desbetreffende faciliteiten. Franstalige Brusselaars kunnen bijgevolg niet instromen in het Franstalig faciliteitenonderwijs, alsook is het faciliteitenonderwijs uitsluitend bedoeld om leerlingen met Frans als moedertaal te ondersteunen. Leerlingen met een niet-Belgische herkomst dienen dus in te stromen in het Nederlandstalig onderwijs, tenzij ze kunnen aantonen dat het Frans hun moedertaal is. Om zeker te zijn dat aan deze materiële vereisten wordt voldaan, riep men de federale taalinspectie in het leven. Deze instantie is bevoegd om de controle uit te oefenen op de naleving van de gestelde criteria.

Voogdijstrijd

Het inrichten van dergelijke faciliteiten verliep niet zonder politieke slag of stoot, zo vroeg het Vlaams Parlement in 1996 aan de Vlaamse Regering om de protocolakkoorden te wijzigen.  Volgens het Parlement waren deze strijdig met de Grondwet. Volksunie parlementslid Etienne Van Vaerenberg neemt op 2 mei 1996 het woord in de Commissievergadering onderwijs, waarin hij de volgende vraag richt aan de onderwijsminister “Mijn vraag is of het in 1996 nog mogelijk mag zijn dat de Franse Gemeenschap het pedagogisch toezicht uitoefent op de Franstalige scholen in Vlaanderen, die eigenlijk toebehoren aan de Vlaamse Gemeenschap. Het is een zeer cruciale vraag, vooral wegens het feit dat de context helemaal anders is dan in 1963 of 1973. Sedertdien hebben zich verschillende staatshervormingen voltrokken, waardoor heel de manier van samenleven in dit land anders werd georganiseerd. Persoonlijk vind ik dat we op dat punt onze verantwoordelijkheid moeten opnemen, en ervoor moeten zorgen dat het toezicht op deze scholen volledig door Vlaanderen wordt uitgeoefend”.[5]  Uiteindelijk krijgt Van Vaerenberg zijn interpellatie ook weerklank in de plenaire vergadering, op 22 mei 1996 neemt de Plenaire vergadering quasi unaniem zijn met rede omklede motie aan. Enkel het enige Franstalige parlementslid, en toenmalig burgemeester van Linkebeek, Christian Van Eyken stemde tegen. Hij stelde het volgende: “Ik ben het niet eens met de bewering dat het taalonderricht in de faciliteitengemeenten en met name in de Franse scholen zo slecht zou zijn. Ik nodig al wie deze motie goedkeurt uit, om zich ervan te vergewissen hoe dit taalonderricht in werkelijkheid gebeurt. Er valt weinig op aan te merken”.[6]Het Vlaams Parlement besliste in 1996 uiteindelijk om het recht op faciliteitenonderwijs te garanderen, maar stelde tegelijkertijd dat enkel de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is voor onderwijs in Vlaanderen. Het Vlaams Parlement wilde controle kunnen uitoefenen op de scholen, waarvoor ze financieel verantwoordelijk was. Uit deze verschillende interpretaties volgde een lange periode van onderhandelen tussen de Vlaamse en Franstalige onderwijsministers, echter waren deze onderhandelingen tevergeefs, daarom besliste de Vlaamse Regering in 2007 om advies aan te vragen aan de Raad van State. Die stuurde de vraag echter door richting het Grondwettelijk Hof. Het Grondwettelijk Hof was op dat moment echter in de onmogelijkheid om een arrest te vellen, daar het Vlaams Parlement eerst een decreet terzake diende goed te keuren.

Op 17 december 2007 keurde de onderwijscommissie van het Vlaams Parlement unaniem een voorstel tot decreet goed. Ook bij de stemming in het Vlaams Parlement op 23 oktober 2009, was de goedkeuring van het zogenaamd inspectiedecreet quasi unaniem. Het inspectiedecreet was een interpretatief decreet waarin de Vlaamse Gemeenschap zijn bevoegdheid over het Franstalige basisonderwijs in de Vlaamse Rand bevestigde. Franstalige basisscholen moesten voortaan de Vlaamse eindtermen volgen (tenzij het Vlaamse Parlement een afwijking goedkeurde), een door de Vlaamse Regering goedgekeurd leerplan toepassen, zich laten volgen door een Vlaams centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) en onderworpen zijn aan de Vlaamse pedagogische inspectie. In het Frans weliswaar, omwille van de faciliteiten.

Franstalige politici vreesden dat het decreet de doodsteek voor de scholen zou betekenen. De leerlingenaantallen waren op dat moment net lichtjes gedaald en de uitvoering van het decreet zou volgens hen leiden tot de geleidelijke afbouw van het Franstalige karakter van de betrokken scholen. En dat terwijl een meerderheid van de leerlingen doorstroomt naar het Franstalige secundaire onderwijs. Daarom startten de besturen van de zes faciliteitengemeenten, enkele honderden ouders, leraars uit de acht betrokken scholen en het parlement van de Franstalige Gemeenschap een beroepsprocedure bij het Grondwettelijk Hof. 

Het Hof besloot op 29 juli 2010 tot een schorsing en op 28 oktober 2010 tot een vernietiging van enkele specifieke bepalingen uit het decreet. Zo vernietigde het Hof het artikel dat de inspectiebevoegdheid toekende aan Vlaamse inspecteurs. De pedagogische inspectie zou dus blijven gebeuren door inspecteurs van de Franstalige Gemeenschap en volgens de normen van de Franstalige Gemeenschap, zelfs al is de Franstalige Gemeenschap eigenlijk niet bevoegd in Vlaanderen. De inspecteurs van de Franstalige Gemeenschap moeten wel hun verslag in het Nederlands overmaken aan de Vlaamse Gemeenschap.

Andere bepalingen uit het decreet werden behouden. Zo moeten de Franstalige scholen zich laten volgen door een Vlaams Centrum voor Leerlingenbegeleiding, als het personeel er ook Frans kent tenminste. Voor psychologische begeleiding en logopedie mogen ze zich wel nog steeds richten tot een Franstalig centrum. En het Hof erkent de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap om ontwikkelingsdoelen en eindtermen vast te leggen voor de Franstalige scholen. Indien de scholen echter een afwijking vragen om de Franstalige ontwikkelingsdoelen en eindtermen toe te kunnen passen, kan de Vlaamse Gemeenschap dat niet weigeren, stelt het Hof. De Vlaamse Gemeenschap erkende eerder immers al de diploma’s uitgereikt door de Franstalige Gemeenschap.

Tot op vandaag blijft het inrichten van het faciliteitenonderwijs een onderwerp dat met regelmaat wordt besproken in het Vlaams Parlement. Verschillende parlementaire vragen worden gesteld i.k.v. de financiering van het faciliteitenonderwijs, alsook is er politieke interesse om de leerlingenaantallen te monitoren. 

Het faciliteitenonderwijs in de Vlaamse Rand in cijfers

Tot op heden zijn er over de zes faciliteitengemeenten 8 basisscholen die Franstalig onderwijs aanbieden. Concreet gaat het over:

Tabel
Tabel 1: Aantal basisscholen met taalfaciliteiten per faciliteitengemeente in de Vlaamse Rand 2024

 

Afbeelding 1
Grafiek 1: Aantal leerlingen in het Nederlandstalig en Franstalig basisonderwijs in de faciliteitengemeenten in de Vlaamse Rand

Allereerst valt op dat het aantal leerlingen in het basisonderwijs in de faciliteitengemeenten in de Vlaamse Rand toeneemt met maar liefst 19,05% over 10 jaar. Wanneer we dit uitsplitsen naar taalgemeenschap valt op dat het aantal leerlingen in zowel Nederlands- als Franstalig onderwijs toeneemt, zij het in verschillende mate. In 2013 zitten er over de zes gemeenten heen 3.778 leerlingen in het Nederlandstalig basisonderwijs, in 2023 zijn dat er 4.319, ofwel een stijging van 14,3%. Voor het Franstalig basisonderwijs was in dezelfde periode slechts een stijging van 4,75% te noteren, ofwel van 2.924 leerlingen in 2013 naar 3.063 leerlingen in 2023. Ondanks het feit dat deze cijfers niet heel uitgesproken zijn, kan er toch gesproken worden van een relatieve afname van het aandeel Franstalige leerlingen in het basisonderwijs van faciliteitengemeenten in de Vlaamse Rand. Grafiek twee toont sinds 2017 een duidelijke knik, en deze lijkt zich sindsdien gestaag door te zetten. Procentueel kan worden vastgesteld dat in 2013 er 43,63% van de leerlingen in het Franstalig basisonderwijs zit, in 2023 bedraagt dat nog 41,49%. Dat is op zich geen markante verschuiving, maar terwijl het Nederlandstalig onderwijs verder groeit, daalt het aantal leerlingen in het Franstalig onderwijs sinds 2021, waardoor er tussen 2020 en 2023 een stagnatie is (van 3.070 naar 3.063). In diezelfde periode neemt het aantal leerlingen in het Nederlandstalig onderwijs toe van 4.208 naar 4.319 leerlingen. Zodoende kunnen we spreken van een relatieve afname van het aandeel leerlingen in het Franstalig basisonderwijs, zeker indien deze tendens, die sinds 2017 is ingezet, zich blijft voortzetten. 

Die relatieve afname lijkt zich ook te manifesteren als we de cijfers vanuit een andere hoek bekijken. De wetgeving stelt dat het inrichten van faciliteitenonderwijs enkel kan voor inwoners uit de zes faciliteitengemeenten, dat wil zeggen dat leerlingen die ingeschreven staan in het Franstalig basisonderwijs, ook effectief moeten gedomicilieerd staan in een van de 6 faciliteitengemeenten in de Vlaamse Rand. Als we dus het totaal aantal leerlingen ingeschreven in het Franstalig onderwijs analyseren tegenover alle 3- tot 11-jarigen die gedomicilieerd staan in de 6 faciliteitengemeenten, dan komen we tot de conclusie dat ook hier een dalende tendens meetbaar is: in 2018 bedroeg het aandeel nog 36,62%, in 2023 zakt dat naar 35%. 

Afbeelding 2
Grafiek 2: Procentuele evolutie van het aandeel leerlingen in het Franstalig basisonderwijs tegenover het totaal aantal gedomicilieerden tussen 3 en 11 in de zes faciliteitengemeenten

Conclusie

De Vlaamse Rand telt 6 faciliteitengemeenten. Binnen deze gemeenten is het faciliteitenonderwijs juridisch verankerd, wat betekent dat er taalfaciliteiten in de andere landstaal worden aangeboden wanneer daar expliciete vraag naar is. De verdeling van leerlingen tussen het Nederlandstalig en Franstalig onderwijs toont de afgelopen 10 jaar enkele verschuivingen. Tussen 2013 en 2023 is het aantal leerlingen in het Nederlandstalig basisonderwijs met 14,3% gestegen, terwijl het aantal leerlingen in het Franstalig basisonderwijs slechts een stijging van 4,75% liet zien. Globaal gezien is het aandeel van het Nederlandstalig onderwijs dus licht gestegen. Eerder onderzoek beklemtoonde de aanhoudende verjonging van de Vlaamse Rand (Van Cappel, 2023). Dit reflecteert zich in een toename van het aantal leerlingen in de faciliteitengemeenten van de Vlaamse Rand met maar liefst 19,05% over een periode van 10 jaar. Dit in acht houdende, lijkt het dat het Nederlandstalig onderwijsaanbod een belangrijk deel van deze instroom verwerkt en daarom aan aandeel wint ten koste van het Franstalige onderwijs.

Hoewel de cijfers voor het Franstalig onderwijs in sommige gemeenten nog steeds hoog zijn, is er sinds 2017 een duidelijke trend van afnemende leerlingenaantallen in de meeste gemeenten, behalve Sint-Genesius-Rode, waar een lichte toename werd waargenomen. Deze verschuivingen kunnen wijzen op een relatief afnemend aandeel van Franstalige leerlingen in de regio. Het blijft interessant om deze ontwikkelingen in de komende jaren verder te volgen, gezien de veranderende demografische samenstelling van de Vlaamse Rand.

Bibliografie

Deneckere, G., De Paepe, T., De Wever, B. & Vanthemsche, G (2020) Een geschiedenis van Belgiëvijdde editie, Gent: Academia Press. 

Goedertier, G., & Vande Lanotte, J. (2010). Handboek Belgisch publiekrecht (6th ed.). Die Keure.

Van Damme, M. (2015) Overzicht van het Grondwettelijk RechtBrugge: die Keure. 

Van Cappel, G. (2023) Jongeren in de Rand, BRIO. 


[1] Artikel 129 Gw.

[2] Artikel 4 van de Wet van 30 juli 1963 houdende de taalregeling in het onderwijs.

[3] EHRM, 23 juli 1968, nr. 2126/64, Case “relating to certain aspects of the laws on the use of languages in education in Belgium” v. Belgium (De Belgische taalzaak).

[4] Artikel 6 van de Wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.

[5] Vlaams Parlement, Interpellatie van de heer Etienne van Vaerenbergh tot de heer Luc Van den Bossche, minister vice-president van de Vlaamse regering, Vlaams minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken, over de Franstalige basisscholen in de faciliteitengemeenten van Vlaams-Brabant, 2 mei 1996, nr. 49, werkingsjaar 1995-1996, p. 1-2.

[6] Vlaams Parlement, Plenaire vergadering van 22 mei 1996, p. 1400-1402.

Contactpersoon
Publicatie type
Fiche
Categorie
Faciliteitengemeenten
Onderwijs
Taal
Regio
Vlaamse Rand
Share this