Introductie
De invulling en beleving van het verenigingsleven in Brussel is sinds de 19de eeuw ingrijpend veranderd. Een belangrijke conditie om de evolutie ervan te begrijpen is de beschikbaarheid van vrije tijd en de manier waarop deze door vrijwillige participatie aan organisaties vormgeeft aan dat verenigingsleven. Het verenigingsleven was destijds voornamelijk weggelegd voor de burgerlijke en hogere sociale klassen. Zij konden het zich immers permitteren om tijd te reserveren voor activiteiten die niet gerelateerd waren aan het beroepsleven. Deze groep kon haar dagen al filosoferend vullen in koffiehuizen, flanerend in het Warandepark of vergaderend in besloten en exclusieve organisaties zoals de Cercle Royal du Parc of de vrijmetselaarsloges. Tegelijkertijd was vrije tijd voor de arbeidersbevolking een schaars goed, vaak onderworpen aan sociale en morele controle. In de 21ste-eeuwse maatschappij is vrije tijd daarentegen uitgegroeid tot een breder en gedeeld recht, met ook nadruk op toegankelijkheid en inclusie.
Het verenigingsleven in Brussel weerspiegelt deze evolutie. Tegenwoordig is dat leven heel divers en veelzijdig, gaande van laagdrempelige festivals en buurtinitiatieven tot en met open sport- en cultuurruimtes waar Brusselaars van uiteenlopende achtergronden elkaar ontmoeten. Wat ooit een teken van sociale status was, is vandaag een belangrijk instrument voor persoonlijke emancipatie en sociale cohesie. Toch is dat geen vanzelfsprekendheid in een stad waar twee taalkundige gemeenschappen en meerdere culturele achtergronden samenkomen (De Greve & Van Cappel, 2024).
In deze fiche focussen we specifiek op de geschiedenis van het Nederlandstalige verenigingsleven in de hoofdstad. We onderscheiden hierbij vijf periodes waarin maatschappelijke, institutionele en demografische verschuivingen samenhangen met wijzigingen in dat verenigingsleven. In het opstellen van deze fiche van historische aard konden we rekenen op de deskundigheid van het AMVB, en hun uitgebreid archief.
Vijf fases
1. Belle epoque tot WOI: De eerste Nederlandstalige initiatieven in een verfransende stad
Tijdens de late 19de en vroege 20ste eeuw was vrijetijdsbesteding en het verenigingsleven nog steeds iets exclusiefs, dat als statussymbool gold voor de beter gegoeden. Binnen Nederlandstalige intellectuele en kleinburgerlijke milieus groeide doorheen de 19de eeuw de belangstelling in het Nederlands als cultuurtaal, die in schril contrast stond met de formele Franse bestuurstaal die in Brussel – en doorheen België – de norm was (De Wever, 2023). Zo richtte de vrijzinnige culturele vereniging het ‘Willemsfonds’ in 1872 een Brusselse afdeling op (Bots et al., 2023). Daarnaast situeerde het prille Nederlandstalige verenigingsleven zich in kunst- en toneelgenootschappen zoals De Distel en De Veldbloem in de tweede helft van de 19de eeuw. Op initiatief van enkele liberale cultuurflaminganten volgde in 1875 een mijlpaal voor het Nederlandstalig verenigings- en culturele leven in de hoofdstad: er werd een naamloze maatschappij opgericht die later zou uitgroeien tot wat we vandaag de Koninklijke Vlaamse Schouwburg noemen (Gijbels & Van Clemen, 2023). Met de steun van burgemeester Karel Buls vindt de KVS in 1887 haar thuis in een monumentaal gebouw dat qua grandeur kon wedijveren met de dominante Franstalige cultuur.
Het toenmalige Brussel maakte in deze periode enkele ingrijpende evoluties door. De industrialisering en de daaropvolgende democratisering van het proletariaat maakten het verenigingsleven toegankelijker voor de brede bevolking. Sterker nog, het is specifiek vanuit het Brussels (ambachtelijk) verenigingsleven dat eind 19e eeuw mede de roep naar algemeen stemrecht groeit. Uiteindelijk in 1893, na verschillende stakingsgolven geïnitieerd door de in 1885 opgerichte BWP, zal het Algemeen Meervoudig Stemrecht het levenslicht zien. (Deneckere et al, 2020; Witte et al, 2016; Moulaert, 1993).
Het is mede vanuit deze beweging, waarbij progressieve liberalen en socialisten aan dezelfde kar trokken, dat ook de zogenoemde “integratie van de arbeidersklasse in de maatschappij” werd voorbereid (Witte et al, 2016, 100). Enerzijds zagen politici - afhankelijk van hun achterliggende ideologische kleur - het verenigingsleven als een manier om de arbeiderspopulatie te beschaven en/of klassenbewustzijn te creëren (Thompson, 2002). Anderzijds zagen ook de werkgevers een opportuniteit in een gedemocratiseerd verenigingsleven. Vrije tijd voor de arbeiders kon dienen als instrument om hun gezondheid te versterken, frustraties te kanaliseren en discipline bij te brengen (Thompson, 2002). Op deze manier droeg het verenigingsleven bij aan de overdracht van burgerschapswaarden die noodzakelijk werden geacht voor het functioneren van de maatschappij.
Toch verliep deze periode niet probleemloos voor het verenigingsleven. Verschillende verenigingen moesten, door een gebrek aan eigen middelen, continu op zoek naar een maatschappelijke zetel. Dat gebeurde veelal op café, gezien zowel de burgerij, alsook de arbeidersklasse in die periode nog veel tijd doorbracht in de Brusselse staminees (Breuil, 2018). Echter, konden verenigingen niet altijd lang blijven op een standplaats en moesten ze zich vaak herorganiseren. Hierbij kon het helpen om een caféhouder op te nemen in het directiecomité (Breuil, 2018). In die periode dienden cafés vaak een dubbel doel, zo waren ze geschikt als ruimte om te vergaderen, maar dienden ze evenzeer als startplaatsen voor evenementen en bijhorende omkleedruimte (Breuil, 2018). Daarnaast, zagen we eind 19e eeuw ook de opkomst van de zogenoemde “chocetés” of “sosjetees” (Deroisy & Symons, 2018). Deze verenigingen werden vooral bevolkt door burgers die zich “buiten de heersende politieke sferen bevonden, en de spot dreven met instellingen waar zij geen toegang tot hadden” (Deroisy & Symons, 2018, 117). Toch zal hun doel ook doorheen de tijd een stuk evolueren, naar een bredere en meer diversere werking, waarbij tal van sosjetees ontstaan rond sport, kunst en muziek, maar ook eenvoudigweg voor het plezier (Deroisy & Symons, 2018, 117).
Hoewel de positie van het Nederlands tijdens deze periode werd bevorderd door de eerste taalwetten, was Brussel rond de eeuwwisseling al sterk verfranst. Volgens de talentelling van 1900 was 19,8% van de Brusselaars nog eentalig Nederlands en beheersten veel van de authentieke Nederlandstaligen het Frans als voertaal (Van Velthoven, 1987). Er was nog geen sprake van een economische heropleving in Vlaanderen, terwijl Brussel als industrieel en administratief centrum voor velen een aantrekkelijke bestemming was. Vlaamse inwijkelingen kwamen echter terecht in een stad waar de voertaal hen vreemd was. Ook de gemeentelijke besturen lieten het na om te voorzien in een onthaalstructuur voor deze Vlamingen (Calsius, 2010). Het gebrek aan een Nederlandstalig publiek leven om deze mensen op te vangen, vormde de voedingsbodem waarop een volks Nederlandstalig verenigingsleven begon te groeien.
In 1906 zag de Bond der Westvlamingen het levenslicht. Het idee voor deze eerste ‘gouwbond’[1] - of gewestbond - was ontstaan op café in klein-Molenbeek; de hedendaagse Noordwijk.[2] Het café luisterde naar de naam “de stad Kortrijk”, verwijzend naar de West-Vlaamse afkomst van velen van de immigranten in deze buurt (Calsius, 2010).[3] De bond diende niet alleen ter vermaak, maar vormde ook een platform dat voor onderlinge sociale hulp zorgde binnen de West-Vlaamse diaspora.[4] Deze nadruk op solidariteit belicht het volkse karakter van de gouwbonden en zegt iets over de socio-economische moeilijkheden die een deel van deze Vlaamse inwijkelingen moest ervaren. De oprichters van zulke verenigingen ambieerden op deze manier een alternatief te vormen voor assimilatie in het dominante Franstalige milieu, en daarbij de eigen groep af te schermen om haar culturele eigenheid te bewaren (Calsius, 2010).
2. Interbellum – einde WOII: Bewaken van het Vlaamse leven in Brussel, bewaren van de eigenheid
De gouwbonden beleven een gouden tijd tijdens het interbellum. Zo volgde er in 1920 de oprichting van een Antwerpse Gouwbond voor Brussel en de Bond der Oostvlamingen. Voor hun leden organiseerden ze culturele activiteiten zoals voordrachten en theater- of filmvoorstellingen. Ook werden er geregeld uitstappen of feesten georganiseerd, die vaak in het teken stonden van de provinciale identiteit. In het discours van de bonden stond het bewaren van “eigen taal, aard en zeden” centraal, waarmee ze verwezen naar de lokale tradities en culturele gebruiken van hun heimat. Het doel van de bonden is dus tweeledig: enerzijds streven zij naar de verdediging en verrijking van het Vlaamse leven in Brussel, anderzijds ligt de nadruk ook op de particulariteit van de culturele identiteiten van de verschillende Vlaamse provincies. Zo waren de gouwbonden niet alleen exclusief voor Nederlandstaligen, maar maakten ze ook een onderscheid tussen de Vlamingen. Elke gouwbond spitste zich toe op immigranten uit een specifieke provincie. Die afbakening was erg strikt: zo stelden de statuten van de Bond der West-Vlamingen duidelijk dat leden in West-Vlaanderen geboren moesten zijn of West-Vlaamse ouders of een West-Vlaamse vrouw moesten hebben (het verenigingsleven was toendertijd klaarblijkelijk een mannelijke aangelegenheid).[5] Toch onderhielden deze verenigingen ook contact met elkaar; in zekere zin verenigden ze dus ook de Brusselse Vlamingen over de provinciegrenzen heen.
Binnen het Nederlandstalige verenigingsleven hadden ook andere organisaties een gelijkaardige missie. Een bijzonder voorbeeld is de Brusselse Zwemvereniging (B.Z.V.), die in de late jaren ‘30 ontstond. Net zoals de gouwbonden focuste de B.Z.V. zich op het consolideren van het Nederlandstalige leven in Brussel. Ze had als doel de Vlamingen der hoofdstad in eigen middens een gezonde ontspanning te bezorgen.[6] Er werden ook banden onderhouden met andere vertegenwoordigers van het Vlaamse leven in Brussel zoals Nederlandstalige studentenkringen en de KVS.[7] Ook de verenigingsstatuten getuigden van de communautaire identiteit van de vereniging. Zo werd er uitdrukkelijk vermeld dat “ieder B.Z.V.-lid als eersten plicht heeft goed en verzorgd NEDERLANDSCH te spreken. Franschsprekenden worden geweerd.” [8]
Vele Nederlandstalige verenigingen staakten hun activiteiten tijdens de oorlogsjaren (Calsius, 2010). Dat was evenwel niet het geval bij de B.Z.V., dat toen zelfs een sterke groei kende.[9] In 1943 viert de B.Z.V. haar vijfjarig bestaan. De uitnodiging voor de feestelijkheden benoemde deze bijzondere context: “Honderden, weldra twee duizend leden kwamen de B.Z.V. vervoegen en de oorlogsomstandigheden ten spijt, bloeit onze vereeniging zooals geen enkele… Zij kan er prat op gaan, wat betreft ledenaantal, zoo machtig te zijn als alle andere zwemvereenigingen der Brusselsche omgeving tezamen ”.[10]Het succes van de B.Z.V. bleef echter niet duren. Kort na de Duitse capitulatie kwam de vereniging, net zoals verschillende andere Vlaams georiënteerde verenigingen, terecht in de controverses van collaboratie en repressie.[11] . De op- en neergang van de Brusselse Zwemvereniging symboliseert op deze manier de turbulente context die ook voor de Vlaamse Beweging in zijn geheel gold, alsook het stigma dat aan het Vlaams kleefde ten gevolge van de collaboratie. Deze complexiteit wordt ook gereflecteerd binnen de vereniging: Waar er in het begin van de oorlog gecommuniceerd wordt vanuit Zuid-Frankrijk, waarnaar de reservisten van het Belgische leger werden geëvacueerd, bevat het archief ook correspondentie met de bezetter en worden na de bevrijding repressie-slachtoffers aan ander werk geholpen. Het gevolg is dat de vereniging kort na de oorlog werd opgeheven. [12] Het B.Z.V. begeeft zich in die hoedanigheid niet in een vacuüm, ook de gouwbonden doormaakten kort na de Tweede Wereldoorlog een moeilijke periode. Sommige van hun leden, waaronder de voorzitter van de Antwerpse gouwbond, worden in verband gebracht met de collaboratie, en de heersende repressie kort na de oorlog zorgt ervoor dat Vlaamsgezinden zich in de naoorlogse jaren niet meteen gaan herorganiseren.
Kort samengevat, zetten de Brusselse verenigingen uit de vooroorlogse en tussenoorlogse periode vooral in op het versterken van de banden onder de Nederlandstalige Brusselaars. Wanneer we verenigingen zien als bronnen van sociaal kapitaal (Putnam, 2000), is het duidelijk dat het toenmalige Nederlandstalig verenigingsleven mikte op het hecht houden van de eigen groep. Ze waren vooral gericht op hetgeen de Amerikaanse politicoloog Robert Putnam “Bonding”-kapitaal noemde (Putnam, 2000). Tegelijkertijd toont de populariteit van de Gouwbonden aan dat de afbakening van deze in-groep nog gefragmenteerd is op provinciaal niveau en niet persé refereert naar een gezamenlijk ‘Vlaams-zijn’. Bovendien waren dit relatief besloten verenigingen met een bereik dat zich beperkte tot een netwerk van overtuigde Vlamingen (Parmentier, 1988). Er is dus hoofdzakelijk sprake van “bonding” onder gelijkgezinden. Dit speelt ook in de naoorlogse periode, al luidde het einde van WOII de start van een nieuw tijdperk in, waarin de organisaties zoals we die tot nu kenden onder druk komen te staan en meer gaan samenwerken.
3. De nasleep van WOII: de groei van een overkoepelend Vlaams bewustzijn
Vanwege de collaboratie en daaropvolgende repressie, ontstond er na de oorlog een anti-Vlaams klimaat waarin veel Nederlandstalige Brusselaars opteerden voor de verfransing (Wouters, 2023). Toch startten de meeste gouwbonden in het naoorlogse tijdperk hun werking weer op (Calsius, 2010). Er werd zelfs een nieuwe Limburgse gouwbond opgericht in 1950.[13] Hoewel de gouwbonden nooit meer de populariteit van tijdens het interbellum zouden bereiken, kenden de organisaties toch nog enige successen in de naoorlogse periode (Calsius, 2010). Een voorbeeld hiervan is de Rally van de Vlaamse Gouwbonden. Dit was een autozoektocht doorheen het landelijke Brusselse hinterland die vanaf de jaren ‘50 zo’n 30 jaar lang georganiseerd zal worden.[14] Op het hoogtepunt kwamen hier enkele honderden deelnemers voor opdagen. [15]De opkomst van snelle en toegankelijke vervoersmiddelen democratiseerden het toerisme en stimuleerden de stadsvlucht. Ook de Brusselse gouwbonden zochten in deze tijdsgeest meer en meer de Nederlandstalige groene Rand op. Dit werd onder meer beklemtoond in de benaming van de gouwbonden, die steeds vaker “en omgeving” aan hun eigen naam gingen toevoegen; bv. Bond der Limburgers voor Brussel en Omgeving.[16] De doelstelling van deze wedstrijd was duidelijk geworteld in de communautaire strijd. Promotiemateriaal voor het evenement stelt: “Het doel van deze rally is het Vlaamse leven in de hoofdstad bevorderen en de Vlamingen elkaar meer en beter te laten kennen”.[17] Nochtans staat deze visie haaks op het feit dat men kiest voor een evenement dat zich grotendeels buiten het Brusselse afspeelt. Een mogelijke verklaring berust zich in het feit dat de relatie van de Vlaamse beweging met de hoofdstad veranderde, ten gevolge van verschillende communautaire evoluties. Hierbij werd Brussel als tweetalig gebied een verworven en geaccepteerd feit, en verschoof de focus als zodanig naar het indijken van de verfransing in het Nederlandstalige hinterland (De Greve, 2025). Hierin is de Rally in zekere zin een voorloper van De Gordel (zie ook: Mares, 2013). Ter ere van de twintigste Rally schreef Hugo Weckx (CVP), toenmalig voorzitter van de Nederlandse Commissie voor de Cultuur van de Brusselse Agglomeratie (NCC), de volgende redevoering waarin deze motieven doorschemeren:
“De activiteit in het genre van een rally (kan) haast als een natuurlijke opdracht voor de Gouwbonden beschouwd worden, namelijk aan zijn leden de gelegenheid te bieden om een nieuw ontmoetingsterrein te vinden in de omgeving van de stad waarin zij zich komen vestigen zijn, een landstreek die naar aard en bevolking verwant is met de hen beter vertrouwde heimatstreken in de Vlaamse provincies” [18]
Bij elke editie van de Rally kwamen er ook andere Vlaamsgezinde prominenten een toespraak houden. De archieven tonen dat de Vlaams-nationalistische Volksunie specifiek werd aangeschreven met de vraag of er mandatarissen, waaronder Vic Anciaux, aanwezig konden zijn.[19]
Naast een verbreding van de geografische oriëntatie van de gouwbonden, verschoof de nadruk ook meer naar het bewerkstelligen en verdedigen van een gedeelde Vlaamse identiteit. Deels had dit vermoedelijk te maken met afkalvende ledenbestanden, die de gouwbonden noopten tot samenwerking om hun voortbestaan te verzekeren. [20] Daarnaast valt dit samen met evoluties binnen de Vlaamse beweging die een gestandaardiseerde taal promootte via bijvoorbeeld de toenmalige massamedia (Jaspers & Van Hoof, 2023). Overeenkomstig hiermee organiseerden de gouwbonden welsprekendheidstoernooien: leden van verschillende bonden namen het tegen elkaar op om uit te maken wie zich het beste kon uitdrukken in het algemeen beschaafd Nederlands. [21] De winnaar won het Juweel van de Brusselse Gouwbonden.[22] Dat de gouwbonden zulke evenement op touw zetten, heeft dan ook een grote symbolische waarde. Het lokale dialect is namelijk een hoeksteen van de provinciale identiteit die de bonden uitdroegen. Er werd ook duidelijk nagedacht over de relevantie van die identiteiten. Zo riep de voorzitter van de West-Vlaamse bond in 1961 op om het West-Vlaams partikularisme te beperken.[23]
In plaats van culturele verschillen binnen Vlaanderen te benadrukken, werd er in dit tijdperk meer toenadering gezocht tot een overkoepelende Vlaamse identiteit. Toch kon deze versterkte samenwerking de afkalving van de gouwbonden niet tegenhouden. In 1979 werd het Juweel niet meer uitgereikt omdat er slechts twee deelnemer waren.[24] De gezamenlijke Rally werd, geplaagd door financiële problemen en een gebrek aan vrijwilligers, voor het laatst georganiseerd in 1986.[25]
4. Jaren 1970 - Jaren 1990: Culturele autonomie en de institutionalisering van het Nederlandstalige verenigingsleven in een veranderende Brusselse maatschappij
De neergang van de Gouwbonden valt samen met de opstart van het institutionele proces van federalisering.[26] Tot de jaren ’60 hing het Nederlandstalige verenigingsleven in Brussel volledig af van het vrijwillige engagement van Vlaamsgezinde enkelingen (Parmentier, 1988). Dit verandert wanneer de staatsstructuur wordt afgestemd op de communautaire breuklijn en op die manier uitmondt in autonome Vlaamse instellingen.
De eerste staatshervorming in 1970 zorgde voor de grondwettelijke verankering van het principe van culturele autonomie voor de taalgemeenschappen. Dat die evolutie zich net dan voltrok, hoeft ook niet te verwonderen, aangezien het tot midden de jaren ‘60 duurde vooraleer een Vlaams-bewuste Brusselse minderheid sociaal en politiek van zich deed spreken. De vestiging van Nederlandstalige afgestudeerden, die in de hogere en de middenkaders hun plaats opeisten, versterkte de oudere generatie van Brusselse flamingantische families aanzienlijk (Witte et al, 2016). Deze ontwikkeling gebeurde ook niet in een vacuüm, en past binnen de revolutionaire geest die om de hoek loerde aan het einde van de jaren ‘60. In die periode liepen de spanningen omwille van de communautaire agenda hoog op. Dit was duidelijk voelbaar in het Brusselse waar zowel de VU, het FDF en de RW electoraal stevige resultaten boeken. Het proces van federalisering bleek echter onomkeerbaar.
Voorafgaand aan de formele toekenning van culturele autonomie aan de Vlamingen, groeide er reeds in de jaren 60 een overkoepelende en omkaderende structuur vanuit het verenigingsleven zelf via de sociaal-kulturele raden (Parmentier, 1988). In 1966 werd het Contact- en Cultuurcentrum opgericht dat als missie had “Het aanmoedigen, verspreiden en coördineren van de Nederlandse cultuur binnen de 19 gemeenten van de hoofdstad” (Mares, 2023). Deze functie werd uiteindelijk geïnstitutionaliseerd via de eerste staatshervorming die de Nederlandstalige en Franstalige Cultuurraad inrichtte. In het tweetalige Brussels Gewest – toen institutioneel nog een agglomeratie - kwam deze werking toe aan de NCC (Nederlandse Commissie voor de Cultuur van de Brusselse Agglomeratie), dewelke vandaag is uitgegroeid tot de Vlaamse Gemeenschaps Comissie (VGC). De Nederlandstalige instellingen zette een subsidiekader op en verzekerden zo de verdere uitbouw en professionalisering van het gemeenschapsleven (Parmentier, 1988).
Hoewel dat spontaan gegroeide verenigingen zoals de Gouwbonden eveneens subsidies ontvingen van de NCC, impliceerde de uitbouw van een netwerk aan gemeenschaps- en dienstencentra doorheen de Brusselse agglomeratie, dat hun bestaansreden voorbijgestreefd was.[27] In 1981 vatte de voorzitter van de Antwerpse bond het als volgt samen: “Er is geen toekomst meer;…; De bonden waren lange tijd de enige ontspanning voor de Vlamingen in Brussel. Vandaag is dat echter anders. In elke gemeente is er een degelijke sociaal-kulturele infrastructuur. De mensen, die vroeger uit alle hoeken van de stad naar bijeenkomsten kwamen, vinden nu ontspanning in eigen milieu”.[28] Door die institutionalisering verdween er eveneens vanuit activistisch en idealistisch oogpunt een belangrijke drijfveer voor het taalgebonden verenigingsleven. Zo kon het Nederlandstalige verenigingsleven zich naast het verdedigen van Vlaamse belangen ook diversifiëren naar andere domeinen zoals leefmilieu, ouderen, jeugdwerk, buurtwerk of amateur-kunstbeoefening (Parmentier, 1988).
Deze uitbouw van Vlaamse culturele infrastructuur in Brussel moet begrepen worden binnen een bredere strategie om de Vlaamse gemeenschap te verankeren in de hoofdstad. Vanaf de late jaren ‘70 zette de Vlaamse Gemeenschap doelbewust in op de verwerving en ontwikkeling van strategische culturele sites in Brussel, als tegengewicht voor de Franstalige dominantie in het culturele veld. Onder impuls van staatssecretaris Vic Anciaux werden iconische gebouwen aangekocht en toegewezen aan Nederlandstalige instellingen, waaronder het Kaaitheater, De Markten, De Zeyp, Bronks en De Kriekelaar in Schaarbeek. Een symbolisch hoogtepunt van deze culturele strategie was de aankoop van de Ancienne Belgique in 1979. Deze emblematische muziekzaal dreigde verloren te gaan door financiële problemen en verwaarlozing, maar werd door de Vlaamse Gemeenschap aangekocht om ze te bestendigen als Nederlandstalige culturele ruimte in het centrum van Brussel (Anciaux, 2024; Witte & Van Velthoven, 2010). Deze aankoop illustreert hoe cultuur in deze periode niet louter als doel op zich werd beschouwd, maar ook als een strategisch beleidsinstrument om institutionele aanwezigheid en legitimiteit te versterken. Daarnaast hadden de Vlaamse investeringen in Brussel tot doel om aan samenlevingsopbouw te doen (Parmentier, 1988). Door middel van de verbreding, diversifiëring en verdere uitbouw van het Nederlandstalige verenigingsleven konden steeds meer Nederlandstalige Brusselaars bereikt en geïntegreerd worden binnen de Vlaamse gemeenschap (Parmentier, 1988).
In dit tijdperk veranderden de Belgische instellingen en maatschappij voorgoed. Voor het eerst tekende niet een levensbeschouwelijke of economische, maar een communautaire breuklijn het land. De grote politieke zuilen splitsten zich in Franstalige en Nederlandstalige tegenhangers en hertekenden het land in opeenvolgende staatshervormingen. Deze logica sijpelde ook door in Brussel: terwijl het Frans de voertaal bleef, maakte de dominantie van het Franstalige weefsel plaats voor een taalkundige verzuiling die vanuit parallelle gemeenschapsinstituties gestimuleerd werd.
5. Late jaren ‘90 - …: Inclusiviteit en verbreding
Op maatschappelijk niveau neemt de laatste decennia de waarde van inclusiviteit toe. Waar vrijetijdsbesteding vroeger vooral een manier was voor de gegoeden om zich sociaal te differentiëren, is dat vandaag mede dankzij de overheidsinterventies uitgegroeid tot een gedemocratiseerd goed en beleidsinstrument. Participatie is dan ook een belangrijk toegangsticket tot de maatschappij geworden: het verenigingsleven biedt kwetsbare mensen een netwerk en sociaal kapitaal. Dankzij invloedrijke sociologische werken zoals Putnam’s Bowling Alone (2000), is een toegankelijk verenigingsleven ondertussen uitgegroeid tot een voorwaarde om de sociale cohesie in een geïndividualiseerde samenleving te bewaren. Tegelijkertijd wint een instrumentele logica aan belang, waarbij de overheid de transformatieve waarde van participatie ziet als aanvulling op het formele onderwijs en zo tegemoet komt aan noden van de arbeidsmarkt (Dewinter et al., 2025). Onder meer het Vlaamse cultuurbeleid hecht vanaf de jaren ‘90 meer belang aan de verbreding van het publiek, vanuit zowel idealistische als economische motieven (Dewinter et al., 2025).
Ook in Brussel zien we dat na verloop van tijd het doelpubliek verder verbreedt van Nederlandstalige Brusselaars, naar verfranste Nederlandstaligen, tot Brusselaars ongeacht hun taligheid. Niet alleen dient het Nederlandstalige verenigingsleven de bestendiging en versterking van de Vlaamse aanwezigheid in de hoofdstad, ook impliceert de verweving van het verenigingsleven met overheidssteun dat het maatschappelijk belang gaat meespelen in de beleidskeuzes. Hoewel de stad net zoals toen een aantrekkingspool voor immigratie vormt, is de Brusselse samenleving van de 21ste eeuw meer te vergelijken met die uit de 20ste eeuw. Terwijl het toen vooral immigratie betrof uit andere Belgische streken en buurlanden, is deze aanstroom gediversifieerd tegen de achtergrond van een geglobaliseerde wereld. In de superdiverse maatschappij die hieruit voortkomt, stijgt het belang van integratie en inburgering van nieuwkomers als beleidsdoelstelling (Van Cappel & Janssens, 2025). Daarenboven werd bij de staatshervormingen expliciet gekozen om niet over te gaan tot een model van subnationaliteiten. Het verenigingsleven dient derhalve open te staan voor alle Brusselaars, waardoor de focus verschuift naar het promoten van het Nederlands bij de diverse Brusselse bevolking.
In 1999 mondt deze wending uit in het vastleggen van de Brusselnorm, waarbij de Vlaamse Regering zich verbindt om 5% van haar totale budget te investeren in de bevoegdheden die ze uitoefent in Brussel en daarmee 30% van de Brusselse bevolking tracht te bereiken. Met deze intentie werd duidelijk geformuleerd dat de Vlaamse investeringen een breder publiek trachtten te bereiken dan zij die al tot de Nederlandstalige gemeenschap behoren.
Dit zien we onder meer terug in verenigingen zoals Les Gazelles, Circus Zonder Handen of Molenbeek Rebels, die vanuit de VGC ondersteund worden. Deze nieuwe spelers leggen de focus op laagdrempeligheid en het bereiken van kwetsbare mensen, ongeacht hun sportieve niveau, taligheid of achtergrond.[29] Een domein als sport helpt bij die toegankelijkheid. Zo stelt de missie van Les Gazelles dat “we allemaal de taal van sport spreken”.[30] Dit inclusieve karakter staat in fel contrast met de exclusieve Nederlandstaligheid van de verenigingen uit eerdere periodes, zoals bij de Brusselse Zwemvereniging. Toch vormen ze net zoals de Gouwbonden een sociaal netwerk voor de zwakkeren in de Brusselse samenleving. Via deze laagdrempelige verenigingen kunnen die Brusselaars worden toegeleid naar het bredere Nederlandstalige netwerk. [31]
Waar het Nederlandstalige verenigingsleven initieel een voornamelijk exclusieve en activistische invulling kreeg, zien we een verschuiving naar een meer inclusief verhaal om ook andere groepen te betrekken. Toch bestaat er een zekere ambiguïteit in de houding van de Vlaamse overheid. Zo besloot de regering-Jambon (2019-2024) om verenigingen met een duidelijk etnisch-cultureel profiel niet meer te ondersteunen, omdat zij segregatie zouden bevorderen (Dewinter et al., 2025). Nochtans toont onderzoek aan dat zulke ‘voor ons, door ons’-organisaties belangrijk zijn om de maatschappelijke betrokkenheid van mensen met een diverse achtergronden te faciliteren (Laoukili et al., 2025).
6. Een stand van zaken: wie doet er mee?
De archieven van de vroegere periodes laten geen cijfermatige weergave van de participatie aan het Vlaams/Nederlandstalig verenigingsleven toe. Dat is wel het geval voor de huidige periode. De dilemma's voor de Vlaamse verenigingen van de 21ste eeuw blijven de openheid naar andere groepen en de interne diversiteit volgens sociale achtergrond. Ter illustratie hernemen we in de tabel hieronder de daadwerkelijke participatie volgens geboorteregio, alsook volgens opleidingsniveau (als indicator voor die sociale achtergrond). Uit Saeys (2024) bleek reeds dat het Nederlandstalig verenigingsleven een taaldivers publiek aantrekt. Er is dus zeker sprake van diversiteit. Desondanks zijn deelnemers hoofdzakelijk hoger opgeleid en geboren in België.
Tabel 1: Participatie Nederlandstalig verenigingsleven naar geboorteregio en opleidingsniveau in 2024
Conclusie
De historische ontwikkeling van het Nederlandstalige verenigingsleven in Brussel toont een duidelijke samenhang tussen maatschappelijke veranderingen, politieke evoluties en verschuivende demografische verhoudingen. Centraal in dit verhaal staan de gouwbonden, die vanaf het begin van de twintigste eeuw uitgroeiden tot een van de meest zichtbare vormen van Nederlandstalige zelforganisatie in een overwegend verfranste hoofdstad. Zij boden niet alleen ontspanning en culturele activiteiten, maar vervulden tevens een belangrijke sociale functie voor Vlaamse inwijkelingen.
Tijdens het interbellum namen de gouwbonden een hoge vlucht. Vanuit een uitgesproken lokaal particularistisch kader bewaakten zij de provinciale identiteiten van hun leden. Hun werking was georiënteerd op de cohesie binnen de eigen groep: het waren gesloten, op afkomst gebaseerde verenigingen die primair gericht waren op interne solidariteit, culturele herkenning en de bescherming van de eigen taalgemeenschap. In de naoorlogse periode konden de gouwbonden hun werking opnieuw opnemen, maar veranderden zowel de maatschappelijke context als hun rol. De nadruk verschoof geleidelijk van het differentiëren tussen provinciale identiteiten naar het stimuleren van een meer overkoepelende Vlaamse identiteit. Tegelijk nam hun relevantie af door veranderende migratiepatronen, een verouderend ledenbestand en de institutionele verankering van het Nederlandstalige cultuur- en gemeenschapsleven.
Vooral deze laatste evolutie markeerde een kantelpunt. De oprichting van de NCC, en later de VGC, de ontwikkeling van een Vlaams cultuurbeleid en de uitbouw van een uitgebreid netwerk van Nederlandstalige gemeenschapsvoorzieningen zorgden ervoor dat het verenigingsleven niet langer uitsluitend op vrijwillige basis hoefde te functioneren. Hierdoor werd de maatschappelijke opdracht van het Nederlandstalige verenigingsleven verbreed. Nieuwe, meer professioneel ondersteunde verenigingen en centra namen de plaats en rol van de gouwbonden in. Het verenigingsleven kreeg vanaf dan ook een duidelijke rol in beleidsdoelstellingen zoals samenlevingsopbouw, cultuurspreiding en participatiebevordering.
De laatste decennia heeft het Nederlandstalige verenigingsleven zich verder aangepast aan de superdiverse realiteit van Brussel. De vroegere exclusiviteit van verenigingen zoals de gouwbonden, maakte plaats voor een inclusiever model. Beleidsinstrumenten zoals de Brusselnorm en de groei van laagdrempelige initiatieven tonen aan dat het streven naar een breder maatschappelijk bereik centraal is komen te staan. Nieuwe organisaties, waaronder etnisch-culturele zelforganisaties en sociaal-sportieve verenigingen, vervullen vandaag een brugfunctie tussen de Nederlandstalige gemeenschap en diverse stedelijke bevolkingsgroepen. Ook de deelnamecijfers reflecteren deze intentie (zie Tabel 1 & Saeys, 2024).
De plaats van de gouwbonden in deze lange geschiedenis is daarmee dubbel. Enerzijds vormden zij de basis voor het ontstaan van een herkenbaar Nederlandstalig verenigingsleven in Brussel; anderzijds markeert hun geleidelijke neergang het einde van een periode waarin taal en afkomst de belangrijkste criteria voor deelname waren. De evolutie van de gouwbonden naar een geïnstitutionaliseerd en nadien inclusiever verenigingsveld illustreert hoe veranderende maatschappelijke noden, beleidskeuzes en stedelijke diversiteit het Nederlandstalige verenigingsleven hertekend hebben. Vandaag treffen we een levendig, veelzijdig en breed maatschappelijk verenigingslandschap aan, dat in uiteenlopende domeinen een rol speelt in het versterken van participatie, sociale cohesie en culturele dynamiek in Brussel.
Met dank aan het AMVB voor hun medewerking en inzage in hun archieven.
Bibliografie:
Anciaux, V., Anciaux, B., & Anciaux, B. (2021). Over generaties. Pelckmans Uitgevers.
Bots, M., Coppens, G., Declercq, G. (2023). Willemsfonds. Encyclopedie van de Vlaamse Beweging.
Breuil, X. De staminees: waar sportverenigingen tot leven komen. In Symons, T., Lefebvre, S., & Van Praag, Y. (Eds.). (2018). Estaminets et cafés: Histoires bruxelloises. BruxellesFabriques-Brusselfabriek.
Calsius, M. (2010). Inventaris van het archief van de Bond der West-Vlamingen te Brussel (1906-1992). Brussel: AMVB.
De Greve, C. (2025). Het Nederlandstalige verenigingsleven in de Vlaamse Rand: Een overzicht in vogelvlucht van het einde van de 19de eeuw tot op heden. BRIO.
De Wever, B. (2023). Geschiedenis van de Vlaamse beweging. Encyclopedie van de Vlaamse Beweging.
Deneckere, G., De Paepe, T., De Wever, B. & Vanthemsche, G (2020) Een geschiedenis van België, third edition, Gent: Academia Press.
Deroisy, A. & Symons, T. De “chochetés”. In Symons, T., Lefebvre, S., & Van Praag, Y. (Eds.). (2018). Estaminets et cafés: Histoires bruxelloises. BruxellesFabriques-Brusselfabriek.
Dewinter, H., Bradt, L., Rutten, K., & Vandermeersche, G. (2025). Limits to the participation paradigm? Unpacking the rhetoric of participation in Flemish cultural policy (1990–2024). International Journal of Cultural Policy.
Gijbels, J. & Van Clemen S. (2023). Koninklijke Vlaamse Schouwburg. Encyclopedie van de Vlaamse Beweging.
Jaspers, J. & Van Hoof, S. (2023). Standaardtaal. Encyclopedie van de Vlaamse Beweging.
Laoukili, F., Oosterlynck, S., & Verschraegen, G. (2025). ‘For us, by us’: migrant youth as institutional entrepreneurs challenging racialized practices of civil society organizations. Journal of Civil Society.
Mares, A. (2023). Contact- en Cultuurcentrum Brussel. Encyclopedie van de Vlaamse Beweging.
Moulaert, J. (1993). Een verdrongen geschiedenis van het Belgisch socialisme: De anarchistische beweging 1880–1914. AMSAB-Tijdingen, (22).
Parmentier, S. (1988) Vereniging en identiteit: De opbouw van een Nederlandstalig sociaal-cultureel netwerk te Brussel (1960-1986). Taal en sociale integratie 10. Brussel.
Putnam, R. D. (2000). Bowling alone: the collapse and revival of American Community. Simon & Schuster.
Saeys, M. (2024). Het taalgebruik in het Brussels verenigingsleven. BRIO.
Saeys, M., Simon, R., & Kavadias, D. (2025). Taalbarometer: Een actueel beeld van meertaligheid en het Nederlands in Brussel. Lannoo. Brussel: VUB-BRIO.
Symons, T., Lefebvre, S., & Van Praag, Y. (Eds.). (2018). Estaminets et cafés: Histoires bruxelloises. BruxellesFabriques-Brusselfabriek.
Thompson, S. C. (2002). Bicycling, Class and the Politics of Leisure in Belle Epoque France. In: R. Koshar (Ed.), Histories of leisure (pp. 131–146). Berg.
Van Cappel G. & Janssens, R. (2025). Inburgeringsbeleid: Taaldiversiteit als politieke uitdaging voor Brussel. BRIO.
Van Velthoven, H. (1987). Historical Aspects, The process of language shift in Brussels: Historical background and mechanisms. In E. Witte & H. Baetens Beardsmore (Eds.), The Interdisciplinary Study of Urban Bilingualism in Brussels (pp. 15-46). Multilingual Matters LTD.
Witte E, Meynen A and Luyten D (2016) Politieke geschiedenis van België: van 1830 tot heden, first edition, Antwerp: Manteau.
Witte, E., & Van Velthoven, H. (2010). Strijden om taal: De Belgische taalkwestie in historisch perspectief. Uitgeverij Pelckmans.
Wouters, N. (2023). Brusselse Gouwbonden. Encyclopedie van de Vlaamse Beweging.
[1] gouw. de. bestuurlijk deelgebied, vaak een provincie; soms ook in een algemenere toepassing: landstreek; gewest (https://anw.ivdnt.org/article/gouw)
[2] BE AMVB 221 - DOOS 1: 013
[3] BE AMVB 221 - DOOS 1: 013
[4] BE AMVB 221 - DOOS 1: 013
[5] BE AMVB 221 - DOOS 1: 001
[6] BE AMVB 110/001; BE AMVB 110/018
[7] BE AMVB 110/001
[8] BE AMVB 110/017
[9] BE AMVB 110/001
[10] BE AMVB 110/018
[11] BE AMVB 110/022
[12] BE AMVB 110/001
[13] BE AMVB 160
[14] BE AMVB 089; BE AMVB 221 DOOS 13: 131
[15] Ibid; BE AMVB 089
[16] BE AMVB 160
[17] BE AMVB 089 DOOS 1: 001
[18] BE AMVB 089 DOOS 1: 004
[19] BE AMVB 089 DOOS 1: 002
[20] BE AMVB 221 DOOS 13: 131
[21] BE AMVB 160/2 – briefwisseling en documenten (1975 – 1979)
[22] BE AMVB 160/2 – briefwisseling en documenten (1975 – 1979)
[23] BE AMVB 221 Doos 13: 131
[24] BE AMVB 160/2 – briefwisseling en documenten (1975 – 1979)
[25] BE AMVB 089 Doos 2: 22
[26] BE AMVB 221 Doos 13: 131
[27] BE AMVB 221 Doos 13: 131
[28] BE AMVB 221 Doos 13: 131
[29] BE AMVB 357 Les Gazelles de Brux. 2019/188 – 001
[30] BE AMVB 357 Les Gazelles de Brux. 2019/188 – 001
[31] BE AMVB 357 Les Gazelles de Brux. 2019/188 – 003