BRIO-taalbarometer 3: diversiteit als norm

  download de samenvatting in pdf
De analyse van de taalsituatie op basis van 12 jaar BRIO-taalbarometeronderzoek biedt een mooie spiegel van de ontwikkelingen die zich binnen Brussel voltrekken. Als migratieregio wordt Brussel gekenmerkt door een steeds grotere diversiteit aan thuistalen. Waar op basis van een representatieve steekproef van 2500 volwassen Brusselaars in TB1 72 verschillende talen goed tot uitstekend werden gesproken, steeg dit in TB2 tot 96 en staat de teller van TB3 momenteel op 104.
De top 8 van de meest gesproken talen blijft dezelfde, al verschuiven de posities en de aantallen die de taal goed tot uitstekend beheersen (zie tabel 1). Tegenover de vorige metingen is de kennis van de drie contacttalen, het Frans, het Nederlands en het Engels, afgenomen en deze van het Arabisch toegenomen.
TB1
TB2
TB3
  Frans 95.5%   Frans 95.6%   Frans 88.5%
  Nederlands 33.3%   Engels 35.4%   Engels 29.7%
  Engels 33.3%   Nederlands 28.3%   Nederlands 23.1%
  Arabisch 10.1%   Spaans 7.4%   Arabisch 17.9%
  Duits 7.1%   Arabisch 6.6%   Spaans 8.9%
  Spaans 6.9%   Italiaans 5.7%   Duits 7.0%
  Italiaans 4.7%   Duits 5.6%   Italiaans 5.2%
  Turks 3.3%   Turks 1.4%   Turks 4.5%
Tabel 1. Vergelijking evolutie taalkennis (goed /uitstekend spreken)

Een stijgend aantal Brusselaars uit Nederlandstalige en anderstalige gezinnen spreekt niet langer goed tot uitstekend Frans, maar die groep die het Frans slechts in beperkte mate beheerst is erg divers met zowel Belgen als niet-Belgen en lager- en hogergeschoolden. De jongeren die school liepen in het Franstalig onderwijs spreken steeds minder behoorlijk Nederlands en Engels. Waar tot voor kort de kennis van de contacttalen omgekeerd evenredig evolueerde aan de leeftijd, is nu het onderwijsniveau bepalend voor de taalkennis. Onderwijs blijft de hefboom naar een hogere sociale status, alleen lijkt een deel van dat onderwijs te falen. Een onderwijsreorganisatie die inzet op meertaligheid dringt zich op. Er groeit een generatie jonge Brusselaars op die het Engels en het Nederlands maar beperkt beheerst met als gevolg een hoge jeugdwerkloosheidsgraad.
 Nederlands TB1 TB2 TB3
 Thuistaal 48.8%
45.1%
48.9%
 Enige thuistaal
26.3% 23.0% 22.4%
 In combinatie met Frans
22.4% 21.7% 26.3%
 In combinatie met andere taal
0.1% 0.4% 0.2%
 Onderwijs BelgiŽ
47.7% 49.6% 41.8%
 Als onderwijstaal
7.5%
8.6%
16.7%
 Als taalvak
40.2%
41.0%
25.1
 Elders 3.5% 5.3% 9.3%
Tabel 2. Taalkennis goed tot uitstekend Nederlands spreken

Wat het Nederlands betreft blijft ongeveer de helft van diegenen die de taal goed tot uitstekend spreken deze van thuis uit geleerd te hebben, al is dat voor de meerderheid van hen in combinatie met een andere taal (zie tabel 2). De recente cijfers van de leerlingen uit het Nederlandstalig onderwijs bevestigen de trend met meer dan dubbel zoveel leerlingen uit taalgemengde gezinnen met Nederlands als één van de thuistalen dan leerlingen uit eentalig Nederlandstalige gezinnen. Voor de jongste generatie Brusselaars is dit zowel voor het Nederlands als het Frans het geval, beide officiŽle talen worden thuis meer in combinatie met een andere taal gesproken dan als enige thuistaal. Ook het effect van het Nederlandstalig onderwijs is duidelijk af te lezen in de tabel. Hier tegenover staat een significante daling van diegenen uit het Franstalig onderwijs die goed tot uitstekend Nederlands spreken.
Migrantentalen worden door significant meer Brusselaars goed tot uitstekend gesproken. Onderstaande tabel 3 staat even stil bij het Arabisch.
 Arabisch TB1 TB2 TB3
 Thuistaal 88.1% 89.7% 90.8%
 Enige thuistaal 55.7% 48.5% 55.3%
 In combinatie met Frans 21.7% 39.4% 32.0%
 In combinatie met andere taal 10.7% 1.8% 3.5%
 Elders 11.9% 10.3% 9.2%
Tabel 3. Taalkennis goed tot uitstekend Arabisch spreken
Waar net als in de vorige TBís de helft van de Arabischtaligen in het buitenland is geboren, blijven ze nu significant meer het Arabisch als enige thuistaal spreken zodra ze in Brussel wonen, maar ook diegenen die in BelgiŽ geboren zijn spreken meer uitsluitend Arabisch binnen het gezin, ook bij de jongste generatie. Dit betekent evenwel niet dat ze geen andere talen zouden kennen.
Deze diversiteit is een gegeven en zal ook in de toekomst het taalgebruik blijven typeren. Het aantal Brusselaars met een verschillende taalachtergrond groeit en deze taalrijkdom wordt ook aan de volgende generatie doorgegeven. Waar tussen de partners in taalgemengde huwelijken vaak voor één enkele taal wordt gekozen, willen beide partners aan de kinderen de eigen taal doorgeven. Het resultaat hiervan is dat van de groep Brusselaars jonger dan 25 jaar reeds de helft opgroeide in een twee- of meertalig gezin. Het huidige patroon van gezinsvorming garandeert dat de basis van de Brusselse taalsituatie, de primaire taalverwerving bij de allerjongsten, gekenmerkt blijft door een steeds verder doorgedreven diversiteit. Het is dus niet zo dat het verfransingsproces van de Nederlandstalige bevolking, dat zich vanaf de 19de tot ruim halfweg de 20ste eeuw voltrok, zich momenteel ook op eenzelfde manier manifesteert bij de Brusselaars die van huis uit niet Franssprekend zijn. Als er voor een tweede gezinstaal wordt geopteerd is dit meestal wel het Frans, maar dit leidt slechts gedeeltelijk tot een verdringen van andere oorspronkelijke thuistalen. Integendeel, sommige migrantentalen herwinnen aan vitaliteit bij de jongste generatie. De huidige evolutie is er niet een van eentalige assimilatie maar van meertalige gezinnen. Van alle Brusselaars groeide zoín 55% op in een eentalig gezin, waar dit bij de vorige meetmomenten nog 70% was. Kijken we alleen naar de jongeren, dan groeit de meerderheid nu al op in een gezin waarin meer dan één gezinstaal wordt gesproken (zie tabel 4).
 Huidige thuistaal TB1 TB2 TB3
 Eentalig gezin 67.8% 64.6% 46.8%
 Tweetalig gezin 27.5% 33.0% 49.3%
 Meertalig gezin 4.7% 2.4% 3.9%
Tabel 4. Talen gezin van oorsprong jonge geboren en getogen Brusselaars (18-25jaar)
Tabel 5 geeft op basis van de officiŽle talen een overzicht van de thuistalen waarin de huidige Brusselaars opgroeiden. Een derde van de Brusselaars groeide op in een eentalig Franstalig gezin, een significante daling tegenover het vorige meetmoment. Het eentalig Franstalig gezin is dus niet langer meer de norm. Het Nederlands weet zijn positie te handhaven, en wint zelfs wat terrein als oorspronkelijke thuistaal, zij het dan in combinatie met het Frans. Een derde van de Brusselaars groeide op in een gezin waar thuis noch Nederlands noch Frans werd gesproken.
 Thuistaal TB1 TB2 TB3
 Frans 51.7% 56.4% 33.6%
 Nederlands 9.1% 6.8% 5.4%
 Nederlands/Frans 10.1% 8.7% 14.1%
 Frans/Andere taal 9.4% 11.4% 14.9%
 Andere taal of talen 19.7% 16.7% 32.0%
Tabel 5. Thuistaal gezin van oorsprong Brusselaars
Tabel 6 geeft een overzicht van de huidige situatie in de nieuw gevormde gezinnen waarbij rekening wordt gehouden met het taalgebruik met de partner en de kinderen. De alleenstaanden worden hierbij in de categorie ondergebracht van het gezin waarin ze opgroeiden.
 Huidige thuistaal TB1 TB2 TB3
 Frans 59.5% 63.1% 38.1%
 Nederlands 6.4% 5.2% 5.2%
 Nederlands/Frans 8.0% 7.2% 17.0%
 Frans/Andere taal 14.5% 16.3% 23.2%
 Andere taal of talen 11.6% 8.1% 16.5%
Tabel 6. Huidige thuistaalsituatie Brussel
Uit het taalgebruik in het huidige gezin blijkt dat het Nederlands zich niet alleen handhaaft maar zelfs licht versterkt als we kijken naar de gezinnen die het Nederlands en het Frans combineren. Het aandeel van anderstaligen die in de nieuw gevormde gezinnen noch Frans noch Nederlands gebruikt ligt significant hoger, hetgeen reeds aan de hand van het Arabisch werd geÔllustreerd. Noch in het gezin waarin ze opgroeiden noch in hun huidige gezin vormen de Brusselaars uit eentalig Franstalige en Nederlandstalige gezinnen samen een meerderheid.Het taalgebruik binnen het gezin is slechts één taaldomein dat binnen de studie werd onderzocht. Ook het taalgebruik in het private en publieke domein werden nader geanalyseerd. Het taalgebruik in de buurt is hierbij illustratief voor de verschuiving die zich manifesteert (zie tabel 7). Er treedt een algemene tendens op die de bevolking verdeelt in enerzijds diegenen die meestal Frans spreken en anderzijds diegenen die meerdere talen gebruiken.

TB1 TB2 TB3
 Frans 82,9% (77,4%) 87,5% (84,9%) 61,8% (53,6%)
 Nederlands 1,5% 1,0% 0,7%
 Engels
0,3% 0,5% 0,6%
 Nederlands/Frans 11,5% 8,2% 11,6%
 Frans/Engels 1,5% 2,2% 5,9%
 Nederlands/Frans/Engels
0,8% 0,4% 18,3%
 Uitsluitend andere talen
1,5% 0,4% 1,2%
Tabel 7. Taalgebruik met buren
De taaldiversiteit resulteert in een complexer taalrepertorium. Communicatie is geen exclusieve keuze tussen talen waarbij de sterkste het haalt, maar de realiteit wijst op een veel pragmatischer taalgebruik. Zo wordt binnen alle taaldomeinen die hier werden onderzocht zowel meer Engels als meer Nederlands gesproken, hetgeen evenwel geen daling van het gebruik van het Frans impliceert. De verfijndere meting die in deze taalbarometer werd toegepast illustreert dat er een beetje Nederlands en een beetje Engels en wat Frans samen wordt gebruikt. Waar de vorige TBís aantoonden dat qua taalkennis het Engels de tweede plaats had veroverd ten nadele van het Nederlands, maar dat de taal zelf maar in beperkte mate werd gesproken, zien we nu het gebruik ervan effectief ook toenemen. Het zijn niet alleen de anderstaligen die het Engels meer frequent gaan gebruiken maar ook diegenen die tevens ook Nederlands en Frans spreken. Het gecombineerde gebruik van de drie contacttalen en een stijgend gebruik van de migrantentalen bevestigt een patroon dat we ook in andere steden aantreffen. Neem als voorbeeld de manier waarop een buurt communiceert. De straat is niet langer een arena van een sterke meerderheidstaal versus zwakke minderheidstalen maar er ontwikkelt zich een eigen minder strikt omlijnde omgangstaal met het Frans als basis maar met invloeden van andere talen. Het is een mooi voorbeeld van wat sociale wetenschappers Ďglocaliseringí noemen. Deze evolutie ligt ongetwijfeld ook mee aan de basis van het feit dat bij Brusselaars van vreemde origine de buurt tot de belangrijkste identificatiekaders hoort. Op die manier kunnen culturele en taaldiversiteit toch hand in hand gaan met sociale cohesie, al blijven andere talen en culturen voor sommigen een belangrijke drempel vormen om binnen de buurt met anderen in contact te treden.

Alhoewel de meeste mensen het Frans beheersen kan een sterke taal deze evolutie van taaldiversiteit en het ontstaan van lokale lingua francas niet beletten. Eenzelfde evolutie zien we bijvoorbeeld in Londen waar het Engels evenmin deze diversiteit kan beletten. Stedelijke communicatie betekent het gebruik van een mengeling van talen met voor Brussel een groeiende rol van het Engels maar ook interferenties met andere talen. De groeiende groep tweetalige gezinnen vindt het best aansluiting bij deze meertalige stedelijke omgeving. Deze groep is zelf ook grondig veranderd. Waar in het verleden deze groep voor een belangrijk deel bestond uit Brusselaars die beide talen van generatie op generatie doorgaven en waarbij beide ouders ook beide talen spraken, wordt deze nu gedomineerd door taalgemengde gezinnen die niet alleen beide talen doorgeven naar de volgende generatie maar zelf ook gemakkelijker meedraaien in een meertalige omgeving en vlot naar het Engels overschakelen. Dit lijkt meer en meer het prototype van de Brusselaar te worden.
 
Men kan zich de vraag stellen of Brussel niet op de drempel staat van een belangrijk transitiemoment op taalvlak. Taalgebruik in een grootstedelijke context is niet langer een confrontatie tussen talen die als monolieten de strijd met elkaar aangaan met de Belgische communautaire discussie als een schaduw op de achtergrond. Communicatie verloopt divers, op alle taaldomeinen, zelfs in contacten met de overheid duikt het Engels meer en meer op. Officieel taalgebruik staat naast de andere manieren waarop met taal wordt omgegaan en hoeft ook niet als een tegenstelling ervaren te worden. De meeste Brusselaars die het Engels beheersen spreken ook wel Nederlands en/of Frans. De groep die uitsluitend andere talen spreekt is significant groter dan de groep die naast het Engels geen officiŽle talen spreekt.

De link tussen de thuistalen en de taalgemeenschappen is complex en verre van eenduidig. Het is een gegeven dat de officiŽle talen steeds meer binnen gezinnen worden gesproken die hiernaast nog een andere taal spreken. De primaire taalverwerving van het Frans en het Nederlands gebeurt meer en meer in combinatie met een andere taal. De school speelt nog wel een belangrijke rol tussen het gezin in de traditionele taalgemeenschappen maar deze scholen worden eveneens geconfronteerd met een diverse leerlingenpopulatie en zijn niet langer de evidente link tussen het individu en zijn vermeende gemeenschap. Het Nederlands en het Frans blijven een cruciale rol spelen in de gemeenschapsvorming binnen Brussel, maar de manier waarop met die taal wordt omgegaan ligt niet langer in het verlengde van de traditionele communautaire tegenstellingen die het politieke debat beheersen.

Men zou op dat niveau kunnen spreken van nieuwe maatschappelijke breuklijnen die in de toekomst hun stempel zullen drukken op het publieke debat. Een eerste breuklijn is deze tussen stad en haar hinterland, tussen de link van de traditionele taalgemeenschappen in Brussel en deze erbuiten. De tweede is een taalkeuze, blijven instellingen vanuit een Vlaamse of Franstalige historische eigenheid functioneren in het Nederlands of het Frans of draagt men datgene wat binnen die gemeenschap gebeurt ook in andere talen uit en staat men ook open voor het gebruik hiervan? De derde breuklijn is de meest fundamentele, deze tussen de keuze voor een stedelijke gemeenschap enerzijds of een gemeenschap gebaseerd op taal anderzijds. Hoe de politieke instellingen er in de toekomst zullen uitzien hangt af van deze keuzes. De ontwikkelingen die deze derde taalbarometer in kaart brengt onderstrepen dat het hier geen theoretische keuzes betreft maar dat er op het terrein al belangrijke ontwikkelingen aan de gang zijn. In het verenigingsleven is het gebruik van meerdere talen een gegeven. Gevraagd naar de toekomst van Brussel zien de Brusselaars noch een toekomst met WalloniŽ noch met Vlaanderen zitten, met elk van beide opties gaat minder dan 5% van de Brusselaars akkoord.

Wanneer een samenleving met belangrijke transities geconfronteerd wordt valt onvermijdelijk de vraag naar identiteit, naar waarden en normen als bindende factoren in een samenleving. We willen hierbij het gegoochel met de term identiteit vermijden. Centraal staat identificatie, een term die verwijst naar een categorie of groep waarin men zich kan terugvinden. Identificatie veronderstelt een vorm van herkenning, van erbij willen horen, van gedeelde meningen of waarden. Het verwijst naar een vorm van solidariteit die minder absoluut is dan identiteit dat vaak als deterministisch en onveranderlijk wordt voorgesteld. Identificatie gaat ook uitsluitend uit van de persoon zelf, waar identiteit ook wordt toegeschreven door anderen. In het taalbarometeronderzoek hadden de ondervraagden de mogelijkheid de mate van identificatie uit te drukken met een territoriale eenheid of een taal. De meeste ondervraagden identificeren zich als Brusselaar, met hierna in volgorde van belangrijkheid Belg en de gemeente waarin men woont. Gegeven de taaldiversiteit lijkt het logisch dat Brusselaars zich niet automatisch met de traditionele taalgroepen gaan vergelijken maar kiezen voor een referentiekader waarin verschillende talen thuis horen. Om zich te identificeren als Nederlandstalige of Vlaming is Nederlands als thuistaal een noodzakelijke voorwaarde, om zich als Franstalige te zien is deze link minder sterk. Ongeacht hoe men de identificatie invult, naast woonplaats of taal wordt door de Brusselaars ook vaak verwezen naar een gemeenschappelijke cultuur die ze delen met die groep.

De link met de traditionele taalgemeenschappen wordt vooral gelegd door het onderwijs en de media. Voor het Nederlands is het onderwijs een essentiŽle schakel in het identificatieproces en de ondersteuning van de taalkennis en het taalbehoud. De groep van Brusselaars uit eentalig Nederlandstalige families krimpt en alhoewel ze vrij sterk participeren aan de Vlaamse instellingen en organisaties treedt er binnen de groep een tweedeling op tussen Nederlandstaligen die vooral taalgebruik centraal stellen en Vlamingen die geboorteplaats en een gedeelde cultuur belangrijker vinden. Het is voor diegenen die van huis uit ook andere talen spreken makkelijker zich met het Nederlands als taal te identificeren dan met het Vlaamse aspect waar geboorteplaats en cultuur meer discriminerend werken. Kijken we naar het stemgedrag dan zorgen beide identificaties voor significant meer stemmen voor een Nederlandstalige lijst al is de impact van het Vlaamse aspect sterker. De tweedeling Franstalig-Waals functioneert anders en naast de taal is voor een identificatie met Waal de geboorteplaats essentieel. Een identificatie als Franstalige is breder, en via het onderwijs voelen een deel van de nieuwe tweetaligen zich met de Franstalige gemeenschap verbonden. Maar ook voor de Franstaligen is identificatie belangrijk om voor een Franstalige lijst te stemmen. De beide traditionele gemeenschappen krijgen een duidelijk andere invulling. Het onderscheid tussen beide wordt het sterkst beklemtoond door de media. Het zijn vooral diegenen die de Franstalige media consulteren die de link met de Franstalige gemeenschap en de kloof met de Vlaamse bevestigen.


Maar de identificatie met een territoriale identiteit die boven de taaldualiteit staat is veel meer uitgesproken. De shift die de traditioneel tweetaligen naar een significant toegenomen identificatie met de gemeente en de evolutie naar een grotere diversiteit in het taalgebruik binnen deze nieuwe evolutie. Naast de gemeente zien ze zichzelf eerder als Brusselaar dan als Belg. In deze groep is de preferentie voor tweetalige politieke lijsten dan ook het grootst.

De evolutie die 10 jaar taalbarometeronderzoek heeft blootgelegd is deze van een verhoogde taaldiversiteit waarin het model van twee taalgemeenschappen sterk onder druk komt te staan als identificatiekader voor de inwoners, maar waarbij de officiŽle talen beide overeind zijn gebleven. Nederlands is niet langer de taal van de Nederlandstaligen of de Vlamingen en is een taal die als thuistaal steeds meer in combinatie opduikt en die ook door een grote groep mensen die de taal van thuis uit niet spraken wordt gebruikt. Het Frans is de algemene lingua franca gebleven en de meeste inwoners van Brussel spreken Frans, maar dat betekent niet dat het Frans de functie van andere talen overneemt. Ook het Engels wordt meer en meer gesproken maar verdringt evenmin het Frans of het Nederlands. Het is geen of-of maar een en-en verhaal. Maar hiernaast blijven ook de migrantentalen overeind en wordt de onderlinge communicatie meer divers. Over welk aspect men het in Brussel ook heeft, men kan niet om deze taaldiversiteit als basis van de sociale verwevenheid van de Brusselse samenleving heen. De uitdaging op zowel politiek als maatschappelijk gebied is leren omgaan met deze diversiteit. Het zijn de ontwikkelingen op het terrein tussen de Brusselaars onderling die de basis voor de oplossing voor de veelheid van grootstedelijke problemen vormen.

Het taalbarometeronderzoek werd uitgevoerd door Prof. Dr. Rudi Janssens (BRIO, Vrije Universiteit Brussel) met steun van de Vlaamse overheid.